Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het resultaat. Met een richtlijn wordt beoogd de wetgeving van de lidstaten van de EU te harmoniseren. Indien een richtlijn door een instelling van de EG wordt uitgevaardigd, dan zijn de lidstaten van de EG gehouden de richtlijn te implementeren in de nationale wetgeving. In de richtlijn wordt daarvoor een termijn gesteld (implementatietermijn). Ingeval een lidstaat niet binnen de termijn is overgegaan tot implementatie, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid tegen de betreffende lidstaat een juridische procedure op te starten. Deze zogenoemde infractieprocedure wordt ingesteld bij het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Een richtlijn is in beginsel slechts gericht tot de lidstaten van de EU. Ingeval een lidstaat evenwel te laat of op onjuiste wijze een richtlijn heeft geïmplementeerd, dan kan een burger zich rechtstreeks op een richtlijnbepaling beroepen voor de nationale rechter (rechtstreekse werking). Dit kan wanneer de desbetreffende bepaling in de richtlijn volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor Justitie onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Een burger zal dit natuurlijk slechts doen indien hij aanneemt dat een richtlijnbepaling voor hem tot een gunstig resultaat zal leiden. Vanzelfsprekend kan een lidstaat zich niet op een nog niet (of onjuist) geïmplementeerde richtlijnbepaling beroepen jegens de burger: dit is het verbod van omgekeerde verticale werking. Dan had de lidstaat maar tijdig, respectievelijk op juiste wijze tot implementatie over moeten gaan.



